Nataal - editie 43

NATAAL .nl 61 Irene de Graaf Vertrouwensband Als de vrouw of het stel gebruik wil maken van haar begeleiding, heeft Ooijens een aantal gesprekken van elk twee uur. Ze geeft ook massages als dat nodig is. “Als de vrouw heel erg vast zit in haar spanning bijvoorbeeld.” Langzaam bouwt ze een vertrouwens- band op. “We praten over het baren, wat gebeurt er in je lichaam, wat weet ze over baren, welke baringshou- dingen zijn er, hoe kan de partner daarbij helpen?” Ook probeert ze te achterhalen wat het verhaal van deze vrouw is, wat ze heeft meegemaakt in haar verleden, waar ze bang voor is, wat ze echt belangrijk vindt bij haar bevalling. “Dat zijn soms heel simpele dingen, zoals de baringshouding. Mevrouw wilde bij haar vorige bevalling overeind, maar dat mocht niet van de dokter, bijvoorbeeld. En heeft een vrouw prikangst? Dan heb je een ervaren prikker nodig. Zulke dingen moeten goed omschreven worden in het bevalplan, want een arts wil dat ook graag begrijpen. Zo werken we hier samen.” Continue zorg Ooijens biedt continue zorg, iets wat haar collega’s niet kunnen, doordat zij in 8-uurs diensten werken. “Ik heb een contract voor 36 uur per week, maar ik ben 24/7 beschikbaar. In mijn rol ga ik in een diepe emotionele verbinding met een barende vrouw. Dat lukt niet als je pieper steeds afgaat.” Regelmatig is ze gedurende een hele bevalling aanwezig, maar ze kan ook ad hoc worden ingezet. “Tijdens een bevalling is een stel veel alleen,” vertelt gynaecoloog De Graaf. “Het is vaak net te druk, met net iets te weinig personeel. Als een vrouw dan in paniek raakt, kan Catharina haar bijstaan. Dan hoeven de gynaecolo- gen of verloskundigen niet zelf de hele tijd binnen te lopen. Dat bespaart ons veel tijd. En ze weet wanneer ze op de bel moet drukken om een van ons erbij te halen.” Een doula voor iedereen Ooijens is de enige doula in Nederland die op de payroll van een ziekenhuis staat; sinds 2015 heeft ze een vaste aanstelling. Normaal gesproken betaalt de zwangere zelf voor een doula, omdat deze aanvullende zorg niet is opgenomen in de basisverzekering. De Graaf vindt dat er op die manier een ‘klassengeneeskunde’ ontstaat. “Ik denk dat de inzet van een doula zoveel voordeel heeft, dat het voor iedereen beschikbaar zou moeten zijn.” Ze heeft een aanvraag gedaan om meer doula’s op de afdeling te krijgen. Dat mes snijdt aan twee kanten, vindt ze. “Enerzijds ontlast de doula de rest van het team, omdat zij een deel van de zorg op zich neemt.” Ooijens geeft meteen een aantal voorbeelden. “Als een vrouw moet braken, dan bel ik niet de verpleegkundige, maar dan ruim ik het op. Als het bed verschoond moet worden, dan doe ik dat. Als ik zie dat mijn collega’s druk zijn, maak ik even dat kopje thee of beschuitjes.” “Anderzijds,” vervolgt De Graaf, “werkt haar aanwezigheid als een olievlek en krijgen we allemaal meer aandacht voor deze meer menselijke manier van zorg. Er zijn veel verpleegkundi- gen die dat door de hoge werkdruk missen, die zeggen: zo wil ik eigenlijk ook voor mijn patiënten zorgen. Wij maken nu vaker verpleegkundigen vrij om bij een bevalling te komen zitten. Ze zijn zelf ook meer geneigd om bij de bevalling te zitten, als daar tijd voor is.” Confronterend De integratie van een doula in het verloskundige team is zeker niet zonder slag of stoot gegaan, vertelt De Graaf. “Veel collega’s vonden het zweverig of dachten dat we die aandacht en zorg zelf wel konden bieden. Maar daar is simpelweg vaak geen tijd voor. Het allermooiste zou natuurlijk zijn als elke gynaeco- loog en elke verloskundige een doula in zichzelf heeft. Maar dat is qua tijd bijna niet te organiseren.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA3NTA1