Nataal - editie 46

NATAAL .nl 59 41+2, 41 42+0, 42 perinatale sterftes. Vrouwen die ingeleid worden vragen vaker om pijnstilling en er wordt meer oxyto- cine gebruikt ter bijstimulatie. Post partum krijgen meer vrouwen last van endometritis. Daarentegen is er minder sprake van macrosomie, meconiumhou- dend vruchtwater, lage Apgar-scores, hyperbilirubi- nemie en maternale hypertensie. Het aantal vaginale kunstverlossingen en het aantal sectio caesarea waren ongeveer gelijk.” Serotiniteit Serotiniteit is gedefinieerd als een amenorroeduur van meer dan 42 weken. Met het vorderen van de zwangerschapsduur is er een toename in het aantal negatieve zwangerschapsuitkomsten. Zo wordt serotiniteit geassocieerd met een verhoogd risico op perinatale sterfte. Daarnaast neemt het aantal baby’s dat geboren worden met een lage Apgar- score, meconiumaspiratie en het aantal opnames op de Neonatale Intensive Care Unit (NICU) toe. “Door de lage incidentie van perinatale sterfte is het lastig in te schatten in hoeverre dit risico ook geldt voor zwangere vrouwen met een ongecompliceerde zwangerschap tussen 41+0 en 41+6 weken die onder begeleiding zijn van de eerstelijnsverloskun- dige”, aldus Ter Huurne. “Geschat wordt dat de incidentie op dit moment één op duizend is. Door deze lage incidentie is het niet bekend wat de beste timing is om in te grijpen bij serotiniteit bij deze groep zwangere vrouwen.” De situatie in Nederland Over de noodzaak van overdracht naar het ziekenhuis en een inleiding van de baring na een amenorroeduur van 42+0 is consensus tussen de verschillende beroepsgroepen. Er blijft echter verschil van mening over het beleid tussen een amenorroeduur van 41+0 tot en met 41+6. Hofman: “Beroepsgroepen geven niet eenduidig aan wat het beste beleid is in deze periode. Zo geeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynae- cologie (NVOG) het advies om zwangere vrouwen enerzijds voor te lichten over de risico’s van het voortzetten van de zwangerschap na een amenor- roeduur van 42+0 en de beperkingen van antena- tale bewaking en anderzijds over de mogelijkheden van een inleiding met een amenorroeduur tussen 41+0 en 41+6. Verder geeft zij het advies om bij een afwachtend beleid na een amenorroeduur van 41+0 minimaal twee keer de conditie van de foetus te beoordelen middels een CTG en/of echoscopisch onderzoek. De Koninklijke Nederlandse Vereniging van Verloskundigen (KNOV) beschrijft dat het niet duidelijk is welke vorm van bewaking vanaf welke zwangerschapsduur nodig is, maar wel dat in de literatuur en buitenlandse richtlijnen het belang van foetale monitoring bij een afwachtend beleid benadrukt werd. Het werd echter niet duidelijk of een CTG en echo meerwaarde hadden boven alerter zijn op minder leven voelen. Hun advies luidt dat het belangrijk is om lokale afspraken te maken over overleg en/of consultatie met een amenorroe- duur tussen 41+0 en 41+6.” Onder andere deze verschillende visies geven een wisselend beleid in de verschillende verloskundig samenwerkingsverbanden (VSV) in Nederland. Serotiniteitscontroles middels cardiotocogram (CTG) en echoscopie in de tweede lijn zijn het meest gangbaar binnen verschillende VSV’s. SWEPIS In het veelbesproken Zweedse onderzoek, the Nicole ter Huurne, physician assistant klinisch verloskundige in opleiding Vivian Hofman, physician assistant klinisch verloskundige in opleiding

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA3NTA1